In dit artikel
Voor veel mensen hoort jeu de boules bij de zomer: een zakje ballen mee op vakantie, een potje op het grindpad van de camping, een glas erbij. Dat is ook precies de charme ervan. Maar wie een keer bij een vereniging gaat kijken, ziet dat er veel meer in zit. Spelers lezen de baan, kiezen hun worp met zorg en kunnen een bal van de tegenstander op meters afstand wegschieten.
In dit artikel lees je hoe jeu de boules werkt, welke spelvormen er zijn, wat je nodig hebt en hoe je het oppakt als sport.
Wat bedoelen we met jeu de boules?
In Nederland wordt met jeu de boules bijna altijd pétanque bedoeld. Dat is de vorm waarbij je vanuit stilstand gooit, met beide voeten in een kleine cirkel. Pétanque komt uit Zuid-Frankrijk; de naam verwijst naar het Provençaalse 'pieds tanqués', voeten bij elkaar.
Er bestaat ook een oudere variant, het jeu provençal, waarbij je een aanloop neemt en over langere afstanden gooit. Die wordt veel minder gespeeld. Bij Nederlandse verenigingen en toernooien gaat het vrijwel altijd om pétanque.
De landelijke bond is de NJBB, de Nederlandse Jeu de Boules Bond.
Zo verloopt een partij
De regels zijn snel uitgelegd. Dat maakt het een sport die je op dezelfde dag kunt leren en meteen kunt spelen.
- Er wordt geloot welk team begint. Dat team tekent een cirkel op de grond of legt een speciale werpcirkel neer.
- Een speler van dat team gooit het kleine houten of kunststof balletje weg: de cochonnet, in Nederland vaak 'het butje' genoemd. Die moet op een afstand van ongeveer zes tot tien meter terechtkomen.
- Hetzelfde team gooit de eerste boule en probeert die zo dicht mogelijk bij de cochonnet te leggen.
- Dan is de tegenpartij aan de beurt. Die blijft gooien tot ze dichter bij de cochonnet ligt, of tot ze geen boules meer heeft.
- Het team dat níet het dichtst bij ligt, gooit steeds weer. Zo gaat het door tot alle boules op zijn.
- Daarna wordt geteld. Alleen het team met de dichtstbijzijnde boule scoort: één punt voor elke boule die dichter bij de cochonnet ligt dan de beste boule van de tegenstander.
Zo'n ronde heet een werpronde of mène. Het winnende team begint de volgende ronde vanaf de plek waar de cochonnet lag. Het eerste team dat 13 punten haalt, wint de partij.
Tijdens het gooien moeten je voeten in de cirkel en op de grond blijven tot je boule is geland. Klinkt simpel, maar het helpt echt om stabiel te staan.
Plaatsen of schieten
Elke worp is een keuze tussen twee technieken:
- Plaatsen. Je gooit je boule met een boog, zodat hij zo dicht mogelijk bij de cochonnet tot stilstand komt. Dit is de basis, en voor de meeste beginners de eerste vaardigheid die ze leren.
- Schieten. Je gooit je boule door de lucht direct op een boule van de tegenstander om die weg te tikken. Lukt het perfect, dan blijft jouw boule liggen op de plek van de weggeschoten bal.
Goede spelers kiezen hun techniek op basis van de situatie. Ligt de tegenstander heel dichtbij en is het moeilijk om er nog voor te komen, dan is schieten vaak slimmer dan plaatsen. Ook de ondergrond speelt mee: op harde, gladde grond rolt een boule veel verder door dan op los grind.
Hier zit de diepgang van het spel. Je leert de baan lezen, de afstand inschatten en een plan maken met je teamgenoten.
Alleen, met z'n tweeën of met z'n drieën
| Spelvorm | Spelers per team | Boules per speler |
|---|---|---|
| Tête-à-tête | 1 | 3 |
| Doublette | 2 | 3 |
| Triplette | 3 | 2 |
In een triplette heeft elke speler vaak een eigen rol: iemand die vooral plaatst, iemand die vooral schiet en iemand die beide kan. Een doublette is een mooie vorm om mee te beginnen, omdat je veel aan de beurt bent en samen kunt overleggen.
Voor wie is het geschikt?
Jeu de boules kun je op bijna elke leeftijd spelen. Je hebt geen conditie of kracht nodig zoals bij veel andere sporten, en je kunt het spelen met mensen van heel verschillende leeftijden en niveaus. Grootouders tegen kleinkinderen werkt prima.
Daarom is het populair bij 55-plussers, maar zeker niet alleen bij hen. Ook jongere spelers ontdekken het als sport waarin concentratie, techniek en tactiek de doorslag geven. Meer over sporten op latere leeftijd lees je in sporten als 55-plusser.
Een paar dingen om rekening mee te houden:
- Je bukt vaak om boules op te rapen. Voor wie last heeft van rug of knieën, is een boule-raper handig: een magneetje aan een touwtje waarmee je de ballen zonder bukken oppakt.
- Je staat lang, vaak buiten. Goede schoenen en kleding naar het weer maken veel verschil.
- Wie vooral zoekt naar zweten en conditie opbouwen, vindt dit misschien te rustig. Het is beweging, maar geen intensieve training.
Jeu de boules kan ook vanuit een rolstoel worden gespeeld. Meer daarover lees je in sporten met een beperking.
Wat je nodig hebt
Voor een eerste kennismaking kun je meestal boules lenen bij de vereniging. Wil je zelf gaan spelen, dan heb je nodig:
- Een set boules. Drie metalen ballen. Er zijn eenvoudige recreatieve sets en echte wedstrijdboules. Voor officiële wedstrijden gelden eisen aan gewicht, doorsnede en keurmerk, dus vraag bij de club welke je nodig hebt voordat je iets koopt.
- Een cochonnet. Vaak bij de set, anders voor een paar euro te koop.
- Een meetlint of meetinstrument. Om te bepalen welke boule het dichtst bij ligt als je het met het blote oog niet kunt zien.
- Een werpcirkel. Handig, maar je kunt ook gewoon een cirkel in het grind trekken.
Wat kost het?
Jeu de boules is een van de goedkopere sporten om te beoefenen. Als ruwe indicatie, en sterk verschillend per club en plaats:
- Contributie bij een vereniging: ongeveer 50 tot 150 euro per jaar.
- Recreatieve set boules: ongeveer 15 tot 40 euro.
- Wedstrijdboules: ongeveer 50 tot 150 euro voor een set van drie, sommige merken duurder.
- Deelname aan een toernooi: vaak een paar euro inschrijfgeld.
Wil je meer weten over sporten met een kleine portemonnee, lees dan sporten met weinig geld.
Club, toernooien en competitie
Je kunt jeu de boules natuurlijk gewoon in het park spelen, op een grindpad of op een openbaar boulesveldje. Wie meer wil, sluit zich aan bij een vereniging. Daar heb je vaste speelmomenten, mensen om tegen te spelen en vaak overdekte banen, zodat je ook in de winter door kunt.
Veel verenigingen organiseren onderlinge toernooitjes, soms met wisselende teams waarin je steeds met andere mensen speelt. Wil je verder, dan kun je meedoen aan open toernooien of aan de competitie. Voor officiële wedstrijden heb je meestal een licentie via de bond nodig; de vereniging kan je vertellen hoe dat werkt.
Spannend wordt het al snel. Een spel tot 13 punten lijkt beslist bij 12-5, maar met een paar goede worpen draait de stand zo om.
Een baan of vereniging vinden
Verenigingen en banen voor jeu de boules vind je op de pagina over jeu de boules. Via de kaart zie je welke het dichtst bij je woont.
De meeste verenigingen vinden het geen probleem als je een keer komt kijken of meespelen. Twijfel je nog welke sport het beste bij je past, dan kun je ook de keuzehulp proberen.


